Mijn papa is ziek©


Fientje zat op het randje van het bed, met haar handje streek ze door het bijna witte haar van haar zieke papa. Zijn ogen waren gesloten en stilletjes staarde Fientje naar buiten. Ze hadden het bed zo geplaatst dat papa naar buiten kon kijken.  Wanneer Fientje van school kwam zag je zijn ogen oplichten van blijdschap. De klok die ooit  van oma was geweest tikte gestaag de seconde weg. Het getik had een rustgevende uitwerking op Fientje. Het was net alsof oma wilde zeggen dat ze dicht bij haar was. Fientje zou er alles voor willen geven om oma nog één maal om zich heen te hebben. Maar oma was er niet meer, net als haar mamma. Fientje stond op en schonk nog maar eens wat vruchtensap voor haar papa in.
'Pap, je moet wel drinken hoor, je hebt al die tijd nog geen slokje genomen. Vind je het niet lekker?'
Een lichte glimlach ontplooide zich rond zijn bleke gezicht, hij nam het handje van zijn dochter in de zijne en sprak met hese stem.
'Ik heb niet zoveel trek. Ik drink het straks wel op, heus.' Fientje keek hem aan en zag dat er tranen in zijn ogen branden..
´Wordt maar weer snel beter. Dan kunnen we weer eens wat leuks gaan doen. Naar de dierentuin of zo. Ik heb gehoord dat ze er een leuke aap bij hebben gekregen. Of zullen we eerst naar het strand gaan?'
'Is goed meisje van me. Ik probeer snel beter te worden,'  hij draaide zijn gezicht van haar af  en deed net of hij belangstellend naar buiten keek.
Hij kuchte en pakte zijn zakdoek die hij voor zijn kleine meid verborgen hield. Vaak moest hij zo heftig kuchen dat hij bloed opgaf wat hij direct in zijn zakdoek kon verbergen. Hij veegde zijn gezicht af en kneep zachtjes in haar hand. ´Waarom ga je niet even buiten spelen. Het is mooi weer, kom het zal je goed doen  Neem Does anders even mee. ´
'Nee pap, ik blijf bij jou. Mijn vrienden en vriendinentjes zijn toch niet aardig voor me. Ze zeggen zulke slechtte dingen over jou. Ik blijf hier en zal goed voor je zorgen. Ik wil dat je beter wordt.'
Er viel een bedrukte stilte in de kamer. Buiten wandelde mensen voorbij, sommige groette even maar liepen snel weer verder.
'Ze durven je niet eens aan te kijken pap, laat staan dat ze je even komen bezoeken. Wat zijn mensen toch hard. Het lijkt wel alsof ze je niet meer willen kennen. Had ik nog maar een mama dan zou alles heel anders zijn,' en verslagen tuurde ze naar de straat.
Papa nam een hap lucht en vroeg: 'Wat zeggen ze dan lieve schat?'
Zijn vraag verraste haar en eigenlijk wilde ze het hem niet vertellen. Hij zou er alleen maar verdrietiger van worden,' dacht ze.
'Laat je niet zo door ze opjagen. Ik heb nooit iets verkeerds gedaan in mijn leven. Echt niet. Dat moet je geloven.'
'Maar waarom schreeuwen ze dan steeds dat jij een zuipschuit bent. Zelfs de moeder van Kareltje hoorde ik achter me rug zeggen dat hij niet meer met me mocht spelen. En en….,¨ toen opeens stroomde de tranen over haar wangen.
'Kom even bij me zitten. Niet verdrietig zijn Het is niet wat ze denken. Ik zal je proberen uit te leggen waarom ze dat roepen. Ik heb iets in mijn hoofd dat noemen ze een tumor en als ik loop lijkt het net alsof ik dronken ben. Dat heeft met die tumor te maken die oefent een druk uit op mijn hersenen. Lieverd, je papa heeft zelden gedronken. Ik maak me zo zorgen om je.'  Hij aaide haar over haar blonde krullen en stil legde ze haar hoofd op zijn borst en luisterde naar het ritme van zijn hart.
'Pap?'
'Ja liefje'
'Ga jij ook dood, net als mamma en oma. Oma deed net zo als jij. Je moet wel eerlijk tegen me zijn. Je wordt niet meer beter hè?'
Plotseling begon hij te hoesten. Fientje rende naar de keuken en haalde een glaasje water. Does de hond lag onder de tafel en keek haar droevig aan. Hij volgde Fientje in haar bewegingen, stond op en begon zachtjes te janken..
'Vooruit dan, maar wel lief zijn en niet te wild spelen met de baas. Hij is erg ziek.'
Does was een trouwe hond. Ooit hadden ze hem uit het asiel gehaald. Dat kon ze zich nog  heel goed herinneren. Uit alle honden was hij degene geweest waar ze direct verliefd op waren geworden. Oh wat was hij blij toen hij aan de riem de poort uit wandelde. Alsof hij drommels goed wist dat ook hij nu een thuis had gevonden. Nog éénmaal had hij zich omgedraaid en hard naar de andere honden geblaft, alsof hij wilde zeggen. Zo nu is het mijn beurt. Nu heb ook ik een baas en bazinnetje. Al snel waren ze een eenheid. Waar de baas was was Does ook. Does zette haar oren recht overeind en kwispelend volgde hij haar naar de huiskamer. Hij sprong boven op de stoel die naast het bed stond en legde zijn kop in de nek van zijn baasje.
'Niet zo wild hoor,' zei Fientje met een zacht stemmetje. 'Baasje is erg ziek. Geef hem maar een lik en ga rustig liggen.'
Een diepe zucht kwam uit de keel van haar papa en met opengesperde ogen staarde hij naar het plafond.
'Fientje boog zich over hem heen en drukte haar oor tegen zijn borst. Zijn hart dat nog geen 10 minuten geleden nog klopte, was niet meer hoorbaar.
Papa papa, wakker worden. Nee, alsjeblieft niet doodgaan. Ik kan niet zonder je. Toe zeg toch iets tegen me,' ze schudden aan zijn lichaam en probeerde hem wakker te maken.
Does sprong van het bed en met z'n staart tussen zijn poten, rende hij terug naar de keuken. Rolde zich in zijn mand op en met zijn oren diep in zijn nek jankte hij zachtjes.
Papa, wordt nou wakker. Wat moet ik zonder jou,' en uitgeput legde ze haar hoofd op zijn borst.
'Fientje, wakker worden. Kom maar kind. Het spijt me, we kunnen je papa niet meer redden. '  Fientje keek op en zag de vrouw die haar papa twee keer per week kwam helpen met het huishouden. Fientje was verdoofd van verdriet en als in een roes liet ze zich door de vrouw ondersteunen en naar haar slaapkamertje brengen. Daar legde ze Fientje in haar bed en probeerde haar enigszins te troosten. ´Fientje, je papa is nu bij je mama en oma in de hemel. Je weet toch dat ook al is hij niet meer hier dat hij altijd in je hartje zult zijn. Vanuit de hemel kijkt hij toe en blijft over je waken.
'Fientje keek haar even aan, rukte zich van haar los en rende terug naar haar papa.
'Jullie met je hemel. Opeens is hij goed genoeg om naar de hemel te gaan.  Jullie hebben hem steeds voor een dronkelap uitgemaakt. Terwijl hij alleen maar ziek was. Ga zelf  naar de hemel, ik wil mijn papa terug,' schreeuwde ze naar de hulp.
Boos en verdrietig, begon ze te huilen en liet ze zich in de armen van de vrouw vallen. De hulp probeerde haar te troosten, maar Fientje was niet te troosten en dat wist ze heel goed.  ´Kom laten we even naar buiten gaan. Een beetje frisse lucht en een wandeling zal je goed doen.'
Fientje was te moe om haar tegen te spreken en samen wandelde ze langs het water en spraken over de dood.