Het kind dat steeds werd gepest©


Loom wandelde de jongen richting school. Hij was misselijk en zijn buik voelde pijnlijk en opgeblazen aan. Hij was nog maar net bij het hek van de school, toen vier vijf jongens en een meisje op hem af rende en hem begonnen uit te jouwen voor vieze snottebel en stomkop. Ze trokken aan zijn jas en weer moesten zijn knopen het, net als de vorige keren ontgelden. Ze schopte tegen zijn benen en trokken hard aan zijn oren. Hij werd ingesloten, zodat de meester en de juffrouw die over het plein liepen niet konden zien wat er gebeurde. Ze duwde hem het fietsenhok in en haalde het geld dat hij in zijn schoenen had verstopt er uit.
'Morgen willen we meer geld en chocola, anders trappen we je helemaal in elkaar. Als je niet doet wat we willen nemen we je zusje te grazen,' riep één van de jongens.
Bang, maar meer nog omdat hij niet wilde dat ze zijn zusje pijn zouden doen, gaf hij telkens weer toe aan hun chantage. Gebukt onder zijn last, nam hij plaats aan zijn tafeltje in de klas en probeerde de lessen te volgen.
Thuis wisten ze niet wat er aan de hand was. Hij was zeer goed in verbergen van zijn strijd. Een strijd die hij zonder de hulp van anderen niet kon winnen. Hij keek naar zijn zusje, die rustig aan tafel haar huiswerk deed. Ze was zijn benjamin en hij deed alles om haar te beschermen tegen de slechteriken.
Op een dag werd het hem te veel, hij durfde niet meer naar school en ging spijbelen. Hij slenterde langs de haven en over het strand. Probeerde de tijd te verdrijven. Tegen de tijd dat het tijd werd dat de school uitging, nam hij de weg terug naar huis.
Een oudere man die hem al enkele dagen over het strand had zien wandelen, keek hem na. Hij vroeg zich af waarom de jongen om deze tijd niet op school zat. Toen hij hem zijn kant op zag komen verschool hij zich in de duinen.
De jongen duwde zijn lichaam naar voren en drukte zijn voeten in het mulle zand. Langzaam maar krachtig wandelde hij de steile helling op die naar het pad leidde.
De man bespiedde de jongen op korte afstand. De jongen nam bovenaan de trap plaats en staarde over zee uit. De golven kwamen met enige regelmaat het strand oprollen en het ruizen van de zee had een rustgevende uitwerking op hem.
Ik weet het echt niet meer. Zo kan het niet doorgaan, maar van mijn zusje moeten ze afblijven, dacht hij triest.
Hij besefte maar al te goed dat ze er snel achter zouden komen dat hij al een aantal dagen niet op school was geweest . En het enige waar hij over in zat was dat hij nu ook zijn zusje niet meer in de gaten kon houden.
Ik moet terug naar school. Straks doen ze mijn zusje nog iets aan, dacht hij. Maar hoe hij het ook wende of keerde hij kwam tot de conclusie dat hij weer terug naar school moest. De angst maakte hem zo ziek, en even speelde hij met de gedachte dat wanneer hij dood zou zijn alles zou zijn opgelost. Hij kon en wilde het gevecht niet meer aangaan. Hij was bang echt bang. Thuis moest hij steeds verantwoorden waar de knopen van zijn jas waren en hoe hij aan die scheurden in zijn broek kwam. Elke keer weer moest hij liegen en bedriegen en dat deed heel erg pijn.
'Ik moet mijn ouders de waarheid vertellen. Zo kan het niet langer,' maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan,' zei hij hardop in zichzelf.
'Welke waarheid,' vroeg de oude man, die zonder dat hij er erg in had, achter hem was komen staan.
Hij schrok op en wilde wegrennen. De man hield hem met zijn grote handen tegen en zei dat hij moest gaan zitten. 'Ga zitten knul. Je hoeft voor mij niet bang te zijn. Ik volg je al enkele dagen en volgens mij zit jij niet zo lekker in je vel. Wat moet jij je ouders vertellen. Misschien helpt het als je het aan een oude zeeman vertelt. Volgens mij zit jij goed in de puree? Vertel me eerst maar eens hoe oud je bent, ' vroeg de oude man vriendelijk.
'Negen meneer, bijna tien,' en boog zijn hoofd van schaamte. 'Ik durf niet naar school. Ze pesten mij en als ik niet doe wat zij willen dan pakken ze mijn kleine zusje,' antwoordde hij. En zonder dat hij er erg in had vertelde hij de oude man alles wat hem was over komen. Wat ze van hem wilde hebben en dat hij daardoor al zijn spaarcentjes kwijt was. De chocola die hij steeds uit de kast moest stelen. Zijn verzameling knikkers en tollen die hij aan ze had moeten afstaan. En het ergste was dat hij tegen zijn moeder moest liggen.
Tja, beste jongeman, ik weet waarover je praat. Dat is rot voor je. Niemand heeft meer tijd voor elkaar. Je ouders zullen wel beide werken en de school kan er tegenwoordig ook niet veel meer aan doen. Ze willen wel, maar voor ze er erg in hebben krijgen ze de hele media over zich heen. Ik neem aan dat je weet wat dit inhoudt. Mensen zijn alleen maar met geld bezig, hoe meer geld hoe liever. En dat brengen ze ook over op de jongere.  Ja jongen, mensen zijn egoïsten. Geld geld en nog eens geld. Altijd maar beter zijn dan andere en maar schoppen, maar ik zeg misschien nu dingen die jij niet begrijpt,' de jongen haalde zijn schouders op en zei. 'Nee, ik weet niet wat ik moet doen. Ik wil niet meer naar school meneer…'
'Zeg maar Koos. Ik kan je alleen maar helpen door mijn ervaring, die ik in mijn lange leven heb opgedaan te vertellen. Ik kan jou niet zeggen wat je moet doen, maar als je goed luistert dan vind je misschien de oplossing voor jou probleem.
'Ik ben benieuwd maar geloof er niet zo in,' antwoordde de jongen. Hij ging er eens goed voor zitten en was benieuwd wat de oude man te vertellen had. Voor het eerst sinds lange tijd voelde hij zich op zijn gemak. Het was fijn er met iemand over te kunnen praten en luisterde aandachtig wat Koos hem wilde vertellen.
'Ik weet zeker dat die jongens jou voor het schoolplein opwachten. Ze drijven je naar een plek waar niemand je kunt zien en begin je te jennen,' hij knikte bevestigend en spitste nog meer zijn oren. Koos had het bij het rechte eind, hij begreep heel goed hoe hij zich voelde.
'Je moet het zo zien,' ging Koos op een rustige toon verder. 'Het zijn net wolven. Die drijven hun prooi ook op en dat doen ze in een grote groep. Samenwerking noemen ze dat in sesamstraat. Als ze hun prooi hebben, dan beginnen ze eraan te trekken en te schuren en daar gebruiken ze jou jas voor. Knopen er af, blouse gescheurd en ga zo maar door. Er is maar één verschil. Die wolven moeten eten om in leven te blijven. In het wild is het, eten of gegeten worden,' de jongen keek hem strak aan, knipperde vluchtig met zijn ogen en vroeg.
'Wat heeft dat nou met mij te maken?'
Koos glimlachte en zei. 'Wij mensen vallen onder de soort mensen, dieren, dingen, ik neem aan dat je dit op school hebt geleerd?' De jongen schudde ontkennend met zijn hoofd en Koos zei verrast. 'Wat leren jullie tegenwoordig op school? Ach, laat maar zitten, dat is niet belangrijk. Mensen zijn jij en ik. Gescheiden van de dieren en dingen. Wij mensen verheffen ons boven de dieren maar eigenlijk zijn wij ook een diersoort. Wij vallen onder de zoogdieren, net als de dolfijnen. Die jongens die jou opdrijven, insluiten, je knopen eraf rukken en vaak geld van je willen hebben.'
'En mijn zusje pijn willen doen als ik niet doe wat zij zeggen,' onderbrak de jongen hem.
'Juist, dat is niet dierlijk. Een beest zou nooit en te nimmer zomaar een prooi pakken. Hij heeft, of ze hebben honger, maar chantage…. Nee dat middel kennen zij niet. Dat is iets dat de mens heeft uitgevonden,' zei Koos.