|
Wiesje stond met haar koffertje bij het hek te wachten. Haar vriendinnetjes stonden achter het raam van het tehuis. Ze keken hoe Wiesje leunend tegen het hek al duimendraaiend de tijd te doden. Haar slaapmaatje stond naast haar en samen keken ze de lange maar smalle straat in. 'Ze doen er wel lang over. Misschien komen ze niet. Zou je dat erg vinden?' Wiesje haalde haar schoudertjes op en keek haar vriendin een moment aan. 'Kon je maar hier blijven, ik ga je zeker missen. Natuurlijk gun ik je van harte dat je weer bij je moeder kunt gaan wonen en ik ben ook erg blij voor je. Ik hoop dat je gelukkig wordt bij je moeder en haar nieuwe vriend. Is die man waar ze nu mee samen woont aardig?' Opnieuw haalde Wiesje haar schouders op en zweeg. Ze moest haar beste vriendin het antwoord schuldig blijven. 'Vergeet je me niet te schrijven, ik blijf aan je denken. Eigenlijk weet ik niet hoe ik verder moet zonder jou, we kennen elkaar al zolang,' ze wandelde op haar af en samen lieten ze hun tranen vrijuit rollen. Elsje nam een zakdoek uit haar jaszak en wreef de tranen van hun gezichten. Opnieuw keken ze elkaar aan en opeens zei Wiesje. 'Eigenlijk ben ik best wel blij dat ik bij mijn moeder ga wonen, maar het doet zo´n pijn om jullie hierachter te moeten laten. We hadden het best fijn samen. Als ik zelf mocht beslissen', maar ze klapte dicht en zweeg opnieuw. 'Zeg Wiesje, als je nou zelf mocht beslissen, zou je dan hier bij mij blijven. Ze keek Wiesje doordringend aan en toen ze er niet op reageerde riep ze. 'Zeg dan wat,' en ze schudde haar hardhandig door elkaar. 'Zeg laat dat, ik kan daar toch niet zelf over beslissen, het is nou eenmaal zo. Laat me toch en ik weet ook niet of ik je wel ga schrijven. Ik wil nooit meer aan dit rothuis denken. Rot toch op en laat me alleen. Ik wil je nooit meer zien,' schreeuwde ze, gaf haar vriendinnetje een flinke schop en ging met haar koffer aan de stoeprand staan. Paula keek haar na en wist niet wat ze hoorde. Verbaast en te neergeslagen draaide ze zich om, maar voor ze wegliep, riep ze huilend. 'Ik geloof er geen woord van, maar ik ga al en het kan me geen donder schelen als je niet schrijft!' Paula rende hard weg en smeet de deur achter haar dicht. Huilend liet ze zich achter de deur op de grond zakken en de tranen vloeide uit haar opgezwollen ogen. Ze begreep er niets van. Waarom zei Wiesje dat allemaal. Ze waren toch immers al jaren beste vriendinnen. Zolang ze zich kon herinneren hadden ze samen in dit tehuis gewoond en nog nooit ruzie gehad. Heb ik me dan zo in Wiesje vergist. Nee, dan kan niet.' 'Wat is er met jou aan de hand,' vroeg een oude vrouw die op het lawaai was afgekomen. 'Ik vind het gemeen dat ze zo naar tegen me deed. Ze wilt me nooit meer zien. We waren altijd zulke goede vriendinnen en nu wil ze niets meer met me te maken hebben. Ik wil hier ook weg. Ik vind het allemaal heel gemeen. Iedereen heeft ouders en ik heb helemaal niets. Ik weet niet eens of ze wel hebben bestaan en …, ik kan er niet meer tegen. Ik wou dat ik dood was!' De vrouw nam haar onder haar hoede en leidde haar met zachte drang een klein kamertje binnen. Enkele kinderen hadden haar op een afstand gevolgd en ze wisten maar al te goed wat Paula bedoelde. In stilte namen ze de weg terug naar de recreatiezaal en ieder ging met zijn eigen gedachten verder met de dingen waar ze mee bezig waren. Maar de meeste vroegen zich af wie die oude vrouw was.
'Vertel me, wat er gebeurd is,' vroeg de oude vrouw. Paula vertelde snikkend haar verhaal en de oude vrouw probeerde haar te troosten 'Dat meent ze niet. Ik denk dat ze je nu al heel erg mist en spijt heeft van hetgeen ze tegen je heeft gezegd. Ze kan er net als jij niet zo goed mee omgaan. Jullie zijn zolang samen geweest. Geloof mij maar ze schrijft je heus wel, reken daar maar op. Laat haar eerst maar aan haar nieuwe omgeving wennen. Wacht maar af en oordeel pas als het zover is.' 'Ik denk dat ze helemaal niet terug naar haar moeder wil. Ik heb het haar nog gevraagd, maar ze gaf geen antwoordt, en ze keek de oude vrouw vragend aan in de hoop dat ze het bevestigde. 'Laten we maar afwachten lieve schat. Het leven kan behoorlijk verwarrend zijn. Zeker als het noodzakelijk is dat je in een kindertehuis moet opgroeien, maar ergens is er altijd wel weer een lichtpuntje waar te nemen. Vaak hebben we de dingen niet zelf in de hand en denken de instantie´s dat zij weten wat goed voor je is. Meestal hebben ze daar het recht toe omdat het in één van hun wetboeken zo staat. Daar moeten we, en zeker jullie kinderen mee om leren gaan. Wij kunnen jullie alleen maar zoveel mogelijk steunen. Kom, ga maar snel naar haar toe. Ze staat vast nog op de stoep en laat zien dat je van haar houdt.' Paula knikte, gaf de vrouw een kus op haar wang en zei. 'U bent liever dan al andere verzorgsters bij elkaar. Nou ja, sommige zijn best oke, maar er zijn erbij die mag de directrice van mijn part meteen naar huis sturen.' 'Het is al goed, ga nou maar gauw. Oh, wacht even, hier geef dit maar aan Wiesje. Het is mijn geluksring. Hij heeft mij altijd geluk gebracht, geef het maar, wat extra geluk kan ze best gebruiken.' De oude vrouw pakte de ring waar een spiegeltje in verwerkt is uit een fluweelachtig doekje en gaf hem aan Paula. Vluchtig bekeek Paula de ring en beloofde dat ze hem aan Wiesje zou geven. Opgelucht huppelde ze weer naar buiten in de richting waar Wiesje nog steeds stond te wachten. De oude vrouw ging naar het raam en keek naar de twee meisjes die elkaar de afgelopen jaren al zovaak hadden getroost en nu brak de tijd aan dat die band tussen hen verbroken moest worden. Lieve Wiesje, het is het lot die voor je beslist. Het lot dat je soms in eigen hand hebt. Ik heb met jullie te doen, maar de kracht om goed uit deze situatie te komen is sterk en je moet er vaak een hoge prijs voor betalen. Het leven geeft en neemt, maar je eigen beslissing heb je zelf in de hand, dacht de oude vrouw. Ze sloot het gordijn en haar versleten lichaam nam plaats in de oude maar comfortabele stoel.
'Ben je weer terug. Was ik niet duidelijk genoeg tegen je,' mopperde Wiesje, maar Paula legde een vinger tegen haar lippen en zei. 'Ja, je was heel duidelijk en ik geloofde bijna wat je zei maar ik weet dat je het niet echt meende.' 'Oh nee,' maar Wiesje zweeg en met gebogen hoofd en tranen in haar ogen gaf ze toe dat ze het niet zo had gemeend. 'Je had gelijk, ik ga je ook missen. Ik ben zo bang dat ik het helemaal niet leuk zal vinden bij mijn moeder en haar nieuwe vriend. Ik wil wel en ik wil niet. Ik weet het gewoon niet,' ze nam haar vriendin bij een arm en zei. 'Weet je, soms heb ik het gevoel dat ze me eigenlijk helemaal niet willen. Ik heb het gevoel alsof ik een soort koopwaar voor ze ben Volgens mij gaat het hen er alleen maar om dat ze hun zin krijgen. Ik geloof er niets van dat ze mij uit liefde in hun huis nemen. Nog nooit heeft ze zich iets van mij aangetrokken en nu ze een nieuwe vriend heeft….. Nee, ik geloof echt niet in die oprechtheid van ze. Er moet iets achter zitten.
|
|